dinsdag 22 juni 2010

Jeugd (5)

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog brachten we de vakanties nog door bij grootouders in Meppel.  Mijn oma van moederskant ('kleine oma') was al jaren weduwe en voorzag in haar levensonderhoud`als pensionhoudster voor onderwijzers. Die waren er in de zomer toch niet, dus had ze wel wat logeergelegenheid voor haar oudste dochter, schoonzoon en zes kleinkinderen (mijn jongste zus werd in 1948 geboren). Mijn oudste broer en ik bleven ook wel eens een paar nachtjes bij mijn opa en oma ('grote oma') van vaderskant. Grote oma vonden wij geen van allen leuk. Ze was een vrij stug mens. Opa vonden we wel heel leuk. Zij woonden gelijkvloers in een klein rijtjeshuis, dat nog altijd bestaat. Ze hadden een klein tuintje, alleen gras, waar mijn oma de gewassen lakens in de zon legde om te bleken. (De Witte Reus bestond nog niet.) Elke donderdag was er een veemarkt in de Woldstraat, waar het vee nog handenklappend werd verkocht. Wij gingen daar steevast heen. Vast onderdeel van die vakantie was altijd een keertje theedrinken bij een oom van mijn vader. Die man dreef een tabakszaakje en had een been dat een stuk korter was dan het andere (een geboorteafwijking). Aan die kant gebruikte hij een soort stelt. Als kinderen vonden wij die bezoeken een ramp, want dat waren ook geen leuke mensen. Het enige lichtpuntje was dat we bij het vertrek mochten kiezen tussen een (snoep)lolly en een pakje kauwgum uit zijn winkelvoorraad.

Voor ons stadskinderen was ook heel bijzonder de smederij in de straat tegenover het huis van kleine oma. Dat had niets met 'oude ambachten' te maken. Dat was nog een alledaags bedrijf, waar paarden beslagen werden.  Er zal wel meer gesmeed zijn, maar dat paarden beslaan vonden we wel het spannendst.

Reizen kort na de oorlog was geen sinecure, want de treinenloop was nog lang niet geheel op orde. Het zal in '46 of '47 geweest zijn dat we, tegen betaling, met een verhuiswagen mee konden rijden, achterin, tussen de meubels. Ergens in de buurt van Zwolle hield de verhuiswagen het voor gezien. Na enig wachten konden we de reis vervolgen in een (lege) veewagen. De terugweg werd toen afgelegd met de boot van Kampen naar Amsterdam. Dat was geen bootdienst. De eigenaar/schipper was een broer van een oom. Het enige dat ik mij nog van die bootreis herinner was dat ik zeeziek was. Sindsdien ben ik nooit een enthousiast watersporter geworden.

In 1949 gingen wij voor het eerst 'echt' op vakantie, naar Wapenveld op de oostelijke rand van de Veluwe, tussen Heerde en Hattem. Bungalowparken waren toen nog dun gezaaid, dus je huurde een deel van het huis van mensen die daar woonden. De reis erheen was een belevenis op zich. De Flevopolder bestond nog niet en er was een geregelde bootdienst tussen Amsterdam en Harderwijk, waarbij je de fiets kon meenemen. Wij gingen altijd met de 'Kasteel Staverden', want die had ook een filmkabine, waar tekenfilms en films van 'de dikke en de dunne' en Chaplin vertoond werden, een aangename onderbreking van de drie uur durende tocht. Van Harderwijk naar Wapenveld fietsten we. Alle bagage was al van tevoren in een hutkoffer naar Wapenveld verstuurd. Die vakanties waren de enige gelegenheden waarbij mijn moeder ook fietste. Toen ze medio dertiger jaren naar Amsterdam kwam vond ze het daar al te druk en gevaarlijk om te fietsen. Dat zegt ook iets over de toenmalige 'drukte' in Meppel.

Fietsen was de meest voorkomende dagbesteding gedurende die vakanties. Boterhammen en flessen limonade gingen mee. Pas jaren later heb ik me gerealiseerd dat het voor mijn moeder nauwelijks vakanties waren. Voor haar was het enige verschil met thuis dat ze twee weken lang niet de was deed. Voor de rest was voor haar ongeveer alles hetzelfde. We hebben ons één keer nuttig gemaakt door een naburige boer te assisteren bij het verwijderen van (larven van) coloradokevers, die in korte tijd een heel aardappelveld naar de filistijnen konden helpen.

Tijdens zo'n vakantie in Wapenveld hebben wij een heus avontuur meegemaakt. De boterhammen en limonade waren al enige tijd daarvoor genuttigd toen mijn vader letterlijk een bui zag hangen en het raadzaam achtte terug te fietsen. Wie fietsen voor de bui uit, maar die was toch sneller dan wij. Op een gegeven moment zagen wij achter ons een windhoos, met zo'n echte slurf. Op de de website van het KNMI wordt deze hoos van 23 augustus 1950 vermeld. Hij trok "een spoor van 46 kilometer lengte (...) met vooral schade aan de bossen van de Veluwe." Die schade hebben wij de dag daarop bekeken. Diverse wegen waren totaal onbegaanbaar geworden door omgewaaide bomen. We waren die windhoosdag niet met met ons negenen, maar zeker met ons zestienen, want een oom en tante en hun vijf kinderen verbleven tegelijkertijd in Wapenveld. Het jaar daarop voegden nog een oom en tante (met drie kinderen) zich erbij. Van tijd tot tijd fietsten ook buurtkinderen wel eens mee, een ware karavaan. Tijdens vakanties daarna, in Ermelo, Nunspeet en Epe, kwam het steeds vaker voor dat ik in mijn eentje ging fietsen. Ik herinner me nog dat ik met mijn rug tegen een boom heb zitten lezen in 'Het proces' van Franz Kafka. Het was een Salamanderpocket, die toen nog gebonden werden uitgegeven, allemaal in dezelfde donkerblauwe band, met de titel alleen op de rug. Misschien ga het ook nog eens over de boeken in mijn jeugd hebben.
x

maandag 21 juni 2010

Ronselen

Ruim een half jaar geleden was er bonje in de afdeling (Amsterdam) Nieuw-West van de PvdA. De inmiddels landelijk bekende stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch wilde voorzitter worden van die afdeling. Maar er was een tegenkandidaat, Achmed Baâdoud, die de verkiezing nipt won. Er was direct al sprake van 'ongeregeldheden'. Een commissie onder leiding van Walter Etty (voormalig Amsterdams partijleider) ging onderzoek doen. Het rapport komt binnenkort uit, maar de geruchten doen al weer, lees ik in de Volkskrant, ruimschoots de ronde. Het gaat dan over intimidatie en het ronselen van stemmen onder met name de leden van Marokkaanse herkomst. Genoeg reden, zou je kunnen zeggen, voor de conclusie: die Marokkanen hebben nu eenmaal een andere politieke cultuur, cliëntelisme is bijvoorbeeld voor hun heel normaal. Ik denk daar wat genuanceerder over. Dat 'ronselen' bijvoorbeeld heb ik al eens eerder meegemaakt. Dat was in een tijdsgewricht dat allochtonen en/of Marokkanen nog geen rol van betekenis speelden in de Nederlandse politiek.

In de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw was ik (in Den Haag) een actief lid van de PvdA. Ik was lid van een afdelingsbestuur en liep gewestelijke en provinciale vergaderingen af. Zelfs bij landelijke congressen was ik aanwezig. Eén maal per jaar was er een 'huishoudelijke' afdelingsvergadering, waarin over kandidaten voor allerlei bestuursfuncties werd gestemd. Daartussen door waren er vergaderingen waarin gestemd werd op kandidaten voor lijsten voor verkiezingen. Het was zeer opvallend dat dat soort vergaderingen veel drukker bezocht werden dan vergaderingen waarin het om 'de inhoud' ging. Je zag leden die je anders nooit zag. Ze namen niet of nauwelijks deel aan discussies. Ze kwamen alleen om te stemmen. Ze waren opgetrommeld (je kunt ook zeggen: geronseld) door de plaatselijke/regionale partijbaronnen, die hen ook gezegd hadden op wie ze moesten stemmen. Omdat ik ook van enige invloed verdacht werd, werd mij wel eens gevraagd deze of gene te benaderen met het verzoek vooral op die of die te stemmen. Ik heb dat nooit gedaan: wie niet (in dit soort situaties) op eigen kracht iets bereikt, hoeft niet op mijn steun te rekenen. Eén keer heb ik zelfs, bij de samenstelling van de lijst voor de gemeenteraad, in een gewestelijke vergadering een persoon die, als nieuweling, door het bestuur zeer hoog (verkiesbaar) op de ontwerp-kandidatenlijst was geplaatst ("Een zeer goede kracht."), en plein publique, vanaf het spreekgestoelte, volledig afgebrand, omdat ik wist en hard kon maken, dat hij veelal schitterde door afwezigheid bij vergaderingen en toezeggingen niet nakwam. Hij heeft de gemeenteraad niet gehaald. Zijn enige verdienste was het napraten van de partijbaronnen.

Wat ik maar zeggen wil: dat 'ronselen' is een aloude gewoonte binnen de PvdA en binnen andere partijen zal dat niet veel anders zijn. Wie macht/invloed heeft wil vooral één ding: die macht/invloed behouden, o.a. door zich te omringen met 'volgelingen'.
x

zondag 20 juni 2010

Zondagsrust

Op zoek naar een jeugdboek was ik aan het googelen. Ik klikte op een van de 'hits' en zag het volgende bericht van www.puntuit.nl:

Fijn dat je puntuit.nl bezoekt.

Vandaag is het zondag. Deze dag besteden wij in het bijzonder aan de dienst van God. Daarom werken wij vandaag niet aan deze site.

Morgen kun je hier weer het nieuws lezen en bekijken, reageren op artikelen en meepraten over de website.


Een server kan volgens mij gedurende de gehele dag des Heren zijn diensten verrichten zonder dat enig gelovige de zondagsrust behoeft te ontheiligen. Je krijgt dan niet het alleractueelste te zien, maar de medewerkers van puntuit zijn principieel tot het uiterste: als er heidenen zijn die op zondag aan het surfen zijn, zullen ze in ieder geval bij puntuit.nl bot vangen. Halleluja!
x

Jeugd (4)

Vroeger speelde je gewoon op straat. Je kon midden op straat voetballen. Er kwam wel eens een auto langs, maar niet vaak. Je speelde 'krijgertje' (elders 'tikkertje' genoemd) of verstoppertje (in onze straat waren veel portieken). Voor bepaalde bezigheden had je 'seizoenen', die nergens vast lagen. Opeens was iedereen aan het tollen, of knikkeren. Die 'seizoenen', die nergens werden aangekondigd, duurden een week of twee, drie en waren ook weer zonder enige aankondiging plotseling afgelopen.

Knikkeren deed je op verschillende manieren. De meest gebruikte manier was 'loeren'. De een mocht een aantal knikkers 'opzetten', in de ruimte tussen twee stoeptegels, de ander rolde daar zijn knikker naar toe. Raakte je de opgezette knikker(s) dan waren die van jou, miste je dan was jij die knikker kwijt. Je mocht zo vaak proberen als je wilde.
Vijf knikkers werden opgesteld zoals je hiernaast ziet. Je 'mikte' erop over een afstand van acht tegels. Op drie knikkers, naast elkaar, mikte je over zes tegels; op één, wat niet vaak gedaan werd, over drie tegels.

Ook het 'potje' was populair. Het potje was de ruimte tussen een huismuur en een tegel, die zo nodig wat uitgegraven werd. Iedere deelnemer gooide een gelijk aantal knikkers richting het potje. Wiens knikker in of het dichtst bij het potje lag mocht beginnen. Met gekromde wijsvinger mocht je één knikker een zetje geven richting potje. Kwam de knikker daarin, dan mocht je nog een keer. Wie de laatste knikker in het potje kreeg, mocht ze allemaal hebben.

'Ketsen' werd alleen door jongens gespeeld. Alle deelnemers legden een gelijk aantal knikkers in een lange rij tussen twee rijen stoeptegels. Om de beurt, meestal door 'ollekebolleke' bepaald, mocht je van een bepaalde afstand een zgn. 'looiedaaier' richting die knikkers gooien. (Het is de eerste keer in mijn leven dat ik dit woord schrijf. Ik ben dus ook niet geheel zeker van de schrijfwijze. Google kent het niet.) Een looiedaaier was een kogel van zo'n twee centimeter doorsnede uit een kogellager. Als je de rij raakte, mocht je de knikkers hebben die er door de looiedaaier uitgeduwd waren. Sommige knikkers overleefden het niet.

Er waren drie soorten knikkers: meksies, meries en kalkedotten. Meksies waren van doorzichtig glas en hadden een figuurtje binnenin. Die waren het meest waard. Meries waren van glas, maar ondoorzichtig. Kalkedotten waren een soort armeluisknikkers. Ze waren kleiner dan glazen knikkers en, zoals de naam al zegt, van kalk gemaakt. Ze waren niet geschikt voor ketsen.

Hoewel zich in onze straat en op het nabij gelegen Merwedeplein redelijke grasveldjes bevonden, speelden we daar nooit op, want het was toen nog overal "Verboden zich op het gras te bevinden". Zeker het veldje bij ons in de straat konden we vergeten, want daarop keek een gepensioneerd politieofficier uit, die het dichtstbijzijnde bureau belde zodra wij een voet over het hekje zetten. Op een Tweede Kerstdag, er lag een aardig pak sneeuw, bevonden mij broer en ik ons in de sneeuw op dat veldje. We liepen immers niet op het gras. (Als gereformeerde jongetjes waren we al bedreven in casuïstiek.) De politieman dacht daar anders over: wij werden ingerekend en naar het bureau gebracht, waar mijn vader ons moest komen ophalen. Wij kregen thuis geen extra straf, want ook mijn vader was niet overtuigd van de ernst van onze overtreding.

We hadden overigens speelruimte genoeg als we een kwartiertje verder liepen. Daar lagen nog grote stukken braakliggend land, omdat de bebouwde kom daar eindigde. Dat was het gebied waar nu de RAI en station Amsterdam RAI liggen. We konden daar kuilen graven, forten bouwen en fikkie stoken. Ooit hebben wij op dat terrein op een avond na het eten, het schemerde al wat, een Maggiblik gevuld met fotonegatieven. Die waren toen nog 6 x 9 cm groot. Het blik zat goed vol en in de deksel hadden we een gat geprikt. Vlammetje erbij, deksel erop. Het leidde tot een rookgordijn waar we zelf van schrokken en we hebben ons dus snel uit de voeten gemaakt.

Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dat schreef Hildebrand in de Camera Obscura.

Toegevoegd op 21 juni 2010
Een andere Evert, naar dezelfde opa genoemd, schreef mij in het mailtje het volgende:
"Een daai is een knikker in het Bargoens en looie is gewoon plat Amsterdams voor lood. Hiermee werd dus aangegeven dat het een zware “loden” knikker betrof."
x

zaterdag 19 juni 2010

Ontslagen

Wanneer je vanmiddag naar het voetballen kijkt, denk dan ook even aan de stewards, die waren ingehuurd om alles in goede banen te lijnen. De inhuurder is een particulier veiligheidsbedrijf, Stallion Security. De stewards zouden volgens de Volkskrant zo'n 150 euro per wedstrijddag verdienen. Het door de FIFA aangestelde beveiligingsbedrijf zou de voor drie maanden aangestelde bewakers hebben afgescheept met een dagvergoeding van 190 rand, niet meer dan 19 euro. De stewards gingen in staking en demonstreerden. De politie schoot met rubberen kogels en nam de taken van de stewards over. Gaat het beveiligingsbedrijf nu de inzet van 1000 politiemensen extra betalen?

Voor het binnenhalen van mega-evenementen wordt altijd als 'excuus' gebruikt dat er wel veel geld in wordt geïnvesteerd, maar dat wordt uiteindelijk - met winst - wel terugverdiend. Ga dat maar aan die stewards vertellen, die inmiddels ontslagen zijn. Ga dat vertellen aan de inwoners van Durban die zich afvroegen waarom de gemeente Durban zonodig 300 miljoen euro in het rood wilde staan om een stadion te bouwen, terwijl de bevolking schreeuwt om betaalbare huizen met stromend water en elektriciteit.

De FIFA, de overheden en de tv zullen er alles aan doen om die rellende stewards zo veel mogelijk buiten beeld te houden, want het WK is toch ÉÉN GROOT FEEST voor ons allemaal? Zolang je geen Zuid-Afrikaan bent die in een township woont tenminste.
x

vrijdag 18 juni 2010

Jeugd (3)

Terugdenkend aan mijn jeugd, kan ik natuurlijk niet voorbijgaan aan het geloof en de kerk. Ik kom uit een orthodox gereformeerd gezin. Dat betekende in de eerste plaats, zodra ik oud genoeg was, tweemaal per zondag naar de kerk. Eerste Kerstdag werd als zondag beschouwd, dus ook twee maal naar de kerk; op Tweede Kerstdag was één keer genoeg. Het komt niet zo vaak voor, maar als Eerste en Tweede Kerstdag op vrijdag en zaterdag vielen, gingen we dus in drie dagen vijf keer naar de kerk.

Slechts weinig dominees waren goede sprekers en de inhoud van de preek ging hoe dan ook, zeker in de beginjaren, geheel aan mij voorbij. In Amsterdam had je dan nog het voordeel, dat je niet elke zondag dezelfde dominee op de preekstoel had. Een preek duurde al gauw drie kwartier en werd onderbroken door een 'tussenzang'. Wij kregen altijd drie pepermuntjes mee, die voor enige opvrolijking moesten zorgen. Er werd drie maal gecollecteerd: twee maal tijdens de dienst, onder het zingen van een psalm, en bij de uitgang. Daarna kwam dan nog het 'offerblok'. Het geld daarin was voor de evangelisatie. We kregen altijd drie dubbeltjes en een stuiver mee.

De rest van de zondag was ook niet altijd even boeiend. Wanneer het redelijk weer was mocht je de deur uit, maar veel meer dan wandelen kon er niet gedaan worden. De Here God scheen fietsen op zondag niet te kunnen waarderen. Een ijsje kopen als het warm was kon ook niet, want dan liet je een ander op de dag des Heren werken. Om dezelfde reden was gebruik van het openbaar vervoer op zondag verboden. (De kerk lag gelukkig op slechts een paar honderd meter afstand.)

Met film lag het in die tijd (in onze kring dan) wat merkwaardig. Naar de bioscoop mochten we niet, behalve naar de Cineac in de Reguliersbreestraat. Daar had je doorlopende voorstellingen van ongeveer een uur, bestaande uit nieuwsfilms, een documentaire en meestal een tekenfilm. Maar naar een speelfilm kijken was verkeerd. Dat was weer niet verkeerd als er, wat af en toe gebeurde, een speelfilm werd gedraaid in de aula van de kerk. Kennelijk had de omgeving een zuiverende werking. De allereerste speelfilm die ik met toestemming van mijn ouders in de bioscoop (Alhambra, die bestaat niet meer) heb gezien had Maarten Luther als hoofdpersoon. Dat onderwerp maakte het toch wat dubieuze karakter van medium en vertoningsplek weer helemaal goed. Rond die tijd (1953) ben ik met mijn oudste broer voor het eerst stiekem naar een bioscoop gegaan: de Cineac op het Damrak (nu al jaren een speelhal). Het was op een Koninginnedag en in de drukte konden we wel onopgemerkt blijven. Het was een avonturenfilm die in Alaska speelde, met veel wildwaterkanoën dus. Niet veel later ben ik nog eens met een vriend op zondag i.p.v. naar de kerk naar de bioscoop gegaan. Met kloppend hart, dat wel. Rond de tijd dat ik een jaar of zestien, zeventien was begon bioscoopbezoek (op weekdagen) langzamerhand geaccepteerd te worden.

Kaartspelen (met 'het prentenboek van de duivel') lag heel genuanceerd. Door de week kon het, maar op zondag kon je dan wel vier heren in de hand hebben, maar die vijfde Heer zag dat toch liever niet. Kwartetten kon en ook 'Stap op' was geen enkel probleem. Ganzenbord, Halma en 'Mens erger je niet' konden zonder meer door welke goddelijke beugel dan ook.

Aan één onderdeel van het toenmalige gereformeerde leven heb ik veel te danken: de 'Jongelingsvereniging op gereformeerde grondslag', kortweg JV op GG. Je was lid van je zestiende tot rondweg je vijfentwintigste. Het was een soort studie- en debatclubje, dat wekelijks in een van de kerkzaaltjes bij elkaar kwam. Voor de pauze werd een bijbels onderwerp, na een 'inleiding' door één van de leden, besproken en bediscussieerd, na de pauze een seculier onderwerp. Ik heb daar geleerd te discussiëren, standpunten in te nemen en te verdedigen en andere standpunten te ontkrachten. Diverse van mijn huidige vrienden waren lid van dezelfde club. Die was, voor die tijd en omgeving, behoorlijk progressief van aard: wij gingen na afloop, rond 22.00 uur, naar de kroeg. Daar werd om ons heen schande van gesproken. Niet door mijn ouders overigens: als we maar vóór middernacht (dan begon de zondag) de kroeg verlieten.

Voor de goede orde: ik kijk zonder enig gevoel van frustratie of wrok terug op mijn gereformeerde opvoeding. De belangrijkste oorzaak daarvan is dat ik noch thuis, noch op de christelijke scholen die ik bezocht, op mijn vragen en/of meningen werd afgescheept met: "Dat is zo. Mond dicht verder." Ik werd niet bestraft, men probeerde mij het nodige uit te leggen. Het was rechtlijnig (en dat ben ik ook nog steeds), maar niet fundamentalistisch. Over dat laatste heb ik elders wat geschreven.
x
x

donderdag 17 juni 2010

Negeren

De communis opinio schijnt te zijn dat de PVV na haar verkiezingsoverwinning niet meer te negeren is. Zij ging van 9 naar 24 zetels, niet niks. Volgens Trouw is de onvrede onder grote groepen kiezers nu inmiddels manifest en het wordt de hoogste tijd dat ook die groepen zich vertegenwoordigd weten in het landsbestuur. Wellicht mag ik er even op wijzen dat in 2006 de SP van 9 naar 25 zetels ging en vervolgens welbewust buiten de coalitie is gehouden.

Er wordt nu gezegd dat de PVV een democratische partij is. Dat behoeft enige nuancering. De PVV is om te beginnen geen partij: het is één man met een wat onduidelijke achterban. Die man en 23 medestanders zijn langs democratische weg lid van de Tweede Kamer geworden. Dat zegt mij nog niets. Voor alle duidelijkheid: ik zet Geert Wilders zeer nadrukkelijk niet op één lijn met Adolf Hitler; ik zet de PVV niet op één lijn met de NSDAP. Maar de NSDAP werd langs democratische weg in 1932 de grootste partij in de Duitse Bondsdag. Zij had daarin geen meerderheid, maar werd helaas niet genegeerd.

Er zijn in Nederland 1.859.315 niet-westerse allochtonen (volwassenen en kinderen; bron: CBS). Er waren op 9 juni 1.447.735 PVV-stemmers (uitsluitend volwassenen; bron: Kiesraad). Dat zijn getallen om leuke sommetjes mee te maken.

75% van de het aantal Tweede Kamerleden van de PVV komt uit de Randstad. De provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Gelderland, Zeeland en Noord-Brabant zijn in het geheel niet 'vertegenwoordigd' in de PVV-fractie. Die fractie is bepaald geen dwarsdoorsnede van de bevolking.

Die 15,45% van de bevolking heeft, bij mijn weten, op wat 'kreten' na geen al te duidelijk beeld van hoe de politiek er de komende jaren uit zou moeten zien. Van mij mag je die rustig negeren.
x