zondag 20 juni 2010

Jeugd (4)

Vroeger speelde je gewoon op straat. Je kon midden op straat voetballen. Er kwam wel eens een auto langs, maar niet vaak. Je speelde 'krijgertje' (elders 'tikkertje' genoemd) of verstoppertje (in onze straat waren veel portieken). Voor bepaalde bezigheden had je 'seizoenen', die nergens vast lagen. Opeens was iedereen aan het tollen, of knikkeren. Die 'seizoenen', die nergens werden aangekondigd, duurden een week of twee, drie en waren ook weer zonder enige aankondiging plotseling afgelopen.

Knikkeren deed je op verschillende manieren. De meest gebruikte manier was 'loeren'. De een mocht een aantal knikkers 'opzetten', in de ruimte tussen twee stoeptegels, de ander rolde daar zijn knikker naar toe. Raakte je de opgezette knikker(s) dan waren die van jou, miste je dan was jij die knikker kwijt. Je mocht zo vaak proberen als je wilde.
Vijf knikkers werden opgesteld zoals je hiernaast ziet. Je 'mikte' erop over een afstand van acht tegels. Op drie knikkers, naast elkaar, mikte je over zes tegels; op één, wat niet vaak gedaan werd, over drie tegels.

Ook het 'potje' was populair. Het potje was de ruimte tussen een huismuur en een tegel, die zo nodig wat uitgegraven werd. Iedere deelnemer gooide een gelijk aantal knikkers richting het potje. Wiens knikker in of het dichtst bij het potje lag mocht beginnen. Met gekromde wijsvinger mocht je één knikker een zetje geven richting potje. Kwam de knikker daarin, dan mocht je nog een keer. Wie de laatste knikker in het potje kreeg, mocht ze allemaal hebben.

'Ketsen' werd alleen door jongens gespeeld. Alle deelnemers legden een gelijk aantal knikkers in een lange rij tussen twee rijen stoeptegels. Om de beurt, meestal door 'ollekebolleke' bepaald, mocht je van een bepaalde afstand een zgn. 'looiedaaier' richting die knikkers gooien. (Het is de eerste keer in mijn leven dat ik dit woord schrijf. Ik ben dus ook niet geheel zeker van de schrijfwijze. Google kent het niet.) Een looiedaaier was een kogel van zo'n twee centimeter doorsnede uit een kogellager. Als je de rij raakte, mocht je de knikkers hebben die er door de looiedaaier uitgeduwd waren. Sommige knikkers overleefden het niet.

Er waren drie soorten knikkers: meksies, meries en kalkedotten. Meksies waren van doorzichtig glas en hadden een figuurtje binnenin. Die waren het meest waard. Meries waren van glas, maar ondoorzichtig. Kalkedotten waren een soort armeluisknikkers. Ze waren kleiner dan glazen knikkers en, zoals de naam al zegt, van kalk gemaakt. Ze waren niet geschikt voor ketsen.

Hoewel zich in onze straat en op het nabij gelegen Merwedeplein redelijke grasveldjes bevonden, speelden we daar nooit op, want het was toen nog overal "Verboden zich op het gras te bevinden". Zeker het veldje bij ons in de straat konden we vergeten, want daarop keek een gepensioneerd politieofficier uit, die het dichtstbijzijnde bureau belde zodra wij een voet over het hekje zetten. Op een Tweede Kerstdag, er lag een aardig pak sneeuw, bevonden mij broer en ik ons in de sneeuw op dat veldje. We liepen immers niet op het gras. (Als gereformeerde jongetjes waren we al bedreven in casuïstiek.) De politieman dacht daar anders over: wij werden ingerekend en naar het bureau gebracht, waar mijn vader ons moest komen ophalen. Wij kregen thuis geen extra straf, want ook mijn vader was niet overtuigd van de ernst van onze overtreding.

We hadden overigens speelruimte genoeg als we een kwartiertje verder liepen. Daar lagen nog grote stukken braakliggend land, omdat de bebouwde kom daar eindigde. Dat was het gebied waar nu de RAI en station Amsterdam RAI liggen. We konden daar kuilen graven, forten bouwen en fikkie stoken. Ooit hebben wij op dat terrein op een avond na het eten, het schemerde al wat, een Maggiblik gevuld met fotonegatieven. Die waren toen nog 6 x 9 cm groot. Het blik zat goed vol en in de deksel hadden we een gat geprikt. Vlammetje erbij, deksel erop. Het leidde tot een rookgordijn waar we zelf van schrokken en we hebben ons dus snel uit de voeten gemaakt.

Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dat schreef Hildebrand in de Camera Obscura.

Toegevoegd op 21 juni 2010
Een andere Evert, naar dezelfde opa genoemd, schreef mij in het mailtje het volgende:
"Een daai is een knikker in het Bargoens en looie is gewoon plat Amsterdams voor lood. Hiermee werd dus aangegeven dat het een zware “loden” knikker betrof."
x

1 opmerking: