Knikkeren deed je op verschillende manieren. De meest gebruikte manier was 'loeren'. De een mocht een aantal knikkers 'opzetten', in de ruimte tussen twee stoeptegels, de ander rolde daar zijn knikker naar toe. Raakte je de opgezette knikker(s) dan waren die van jou, miste je dan was jij die knikker kwijt. Je mocht zo vaak proberen als je wilde.
Ook het 'potje' was populair. Het potje was de ruimte tussen een huismuur en een tegel, die zo nodig wat uitgegraven werd. Iedere deelnemer gooide een gelijk aantal knikkers richting het potje. Wiens knikker in of het dichtst bij het potje lag mocht beginnen. Met gekromde wijsvinger mocht je één knikker een zetje geven richting potje. Kwam de knikker daarin, dan mocht je nog een keer. Wie de laatste knikker in het potje kreeg, mocht ze allemaal hebben.
'Ketsen' werd alleen door jongens gespeeld. Alle deelnemers legden een gelijk aantal knikkers in een lange rij tussen twee rijen stoeptegels. Om de beurt, meestal door 'ollekebolleke' bepaald, mocht je van een bepaalde afstand een zgn. 'looiedaaier' richting die knikkers gooien. (Het is de eerste keer in mijn leven dat ik dit woord schrijf. Ik ben dus ook niet geheel zeker van de schrijfwijze. Google kent het niet.) Een looiedaaier was een kogel van zo'n twee centimeter doorsnede uit een kogellager. Als je de rij raakte, mocht je de knikkers hebben die er door de looiedaaier uitgeduwd waren. Sommige knikkers overleefden het niet.
Er waren drie soorten knikkers: meksies, meries en kalkedotten. Meksies waren van doorzichtig glas en hadden een figuurtje binnenin. Die waren het meest waard. Meries waren van glas, maar ondoorzichtig. Kalkedotten waren een soort armeluisknikkers. Ze waren kleiner dan glazen knikkers en, zoals de naam al zegt, van kalk gemaakt. Ze waren niet geschikt voor ketsen.
We hadden overigens speelruimte genoeg als we een kwartiertje verder liepen. Daar lagen nog grote stukken braakliggend land, omdat de bebouwde kom daar eindigde. Dat was het gebied waar nu de RAI en station Amsterdam RAI liggen. We konden daar kuilen graven, forten bouwen en fikkie stoken. Ooit hebben wij op dat terrein op een avond na het eten, het schemerde al wat, een Maggiblik gevuld met fotonegatieven. Die waren toen nog 6 x 9 cm groot. Het blik zat goed vol en in de deksel hadden we een gat geprikt. Vlammetje erbij, deksel erop. Het leidde tot een rookgordijn waar we zelf van schrokken en we hebben ons dus snel uit de voeten gemaakt.
Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dat schreef Hildebrand in de Camera Obscura.
Toegevoegd op 21 juni 2010
Een andere Evert, naar dezelfde opa genoemd, schreef mij in het mailtje het volgende:
"Een daai is een knikker in het Bargoens en looie is gewoon plat Amsterdams voor lood. Hiermee werd dus aangegeven dat het een zware “loden” knikker betrof."
x
(Als gereformeerde jongetjes waren we al bedreven in casuïstiek.)
BeantwoordenVerwijderenHaha!